Ik had altijd al het gevoel dat ik speciaal was. Wanneer ik brood bakte voelde ik me vorstelijk. Als een koning. Een onbestemd verlangen naar pure heerschappij overweldigde me elke keer dat ik het deeg stond te kneden. Nu weet ik zoveel meer..
Op de bewuste zondagochtend stond ik voor het aanrecht. Het openstaande raam verwelkomde een niet aflatende stroom zonnestralen mijn nederige keuken in. Buiten hoorde ik vogeltjes in de tuin die elkaar verblijdden met een vrolijk lied. Op het aanrecht stond fors en fier een grote zak verse volkorenmeel, die ik bij de plaatselijke molen in het dorp had gehaald. Daar malen de molenaars elke dag luid molenaarsliederen zingend tarwe met behulp van niets minder dan pure windkracht fijn tot een poeder dat niet alleen door bakkers, maar ook door mensen zoals ik verwerkt wordt in een mooi deeg.
Ik schepte met een ferme zwiep een gepaste hoeveelheid meel uit de zak, die ik vervolgens in een mengkom deed. Daar voegde ik een zakje instantgist aan toe. De instantgist haalde ik wel eerst even uit het zakje. Tot slot deed ik er met een zwierende beweging nog wat zout, een beetje roomboter en warm water bij.
Brullend kneedde ik het deeg, terwijl de stralen van de rijzende zon mijn gelaat betastten en het wild bewegende silhouet van mijn lichaam op de muur projecteerde. Met de blote knuisten bewerkte ik het deeg, sloeg er op, pakte het en smeet het weer op het aanrecht terwijl de godvrezende liederen van ‘Nederland Zingt’ op de televisie door het huis schalden.
Buiten adem leunde ik op het aanrecht. Het deeg was nu soepel en mooi. Het was tijd om het te laten rijzen. Het deeg ging terug in de kom en ik deed er een theedoek over. Nu had ik mooi een uur de tijd om iets voor mezelf te doen.
Na een uur furieus masturberen keerde ik terug in de keuken. Het deeg was gerezen tot maar liefst twee maal zijn oorspronkelijke grootte. Vluchtig kneedde ik het nog een beetje en legde het in de broodvorm. Nu kon het een tweede maal rijzen, iets korter, terwijl de oven warm werd.
Na de tweede rijs was het tijd om te bakken. Ik opende de ovendeur en voelde de luchtstroom langs mijn gezicht waaien. De hitte teisterde mijn gelaat terwijl ik met een sierlijke armzwaai het brood de oven in schoof.
De minuten tikten tergend langzaam voorbij terwijl de overheerlijke geur van vers gebakken brood door het hele huis dwarrelde. Zittend in mijn fauteuil, gekleed in warme bordeauxrode kamerjas en pantoffels voelde ik hoe de geur me bedwelmde en mij langzaam deed indommelen.
“De Koning! De Koning komt eraan!”
Toen ik mijn ogen opende had ik goed zicht op de menigte, die uitgedost in bakkerskledij was toegelopen om mij te ontmoeten terwijl ik, zittend op een ezelin, door de stadspoorten reed. Ik huilde van ontroering toen ik zag hoe de mensen wuifden met hun bakkersmutsen en deze op mijn pad legden. Iedereen was uitzinnig van vreugde, want voorwaar, ik was de rechtmatige erfgenaam van de troon en zou weldra gekroond worden tot Koning.
De troonzaal vervulde me met ontzag. De ruimte had een T-vorm en was tientallen meters hoog. Het gewelf werd gedragen door machtige marmeren pilaren in de vorm van deegrollers. Felle zonnestralen schenen vanuit een opening hoog achter mij omlaag op het midden van de zaal, waar de bisschop stond te wachten. Van weerskanten keken honderden, misschien wel duizend bakkers toe hoe ik langzaam richting de troon schreed. Het was muisstil, waardoor elke stap, hoe zacht ook, als een oorverdovende klap door de onmetelijke ruimte leek te razen.
Voor de bisschop bleef ik staan. Hij keek me aan en wenkte naar het gregoriaans bakkerskoor dat aan weerszijden van de troon opgesteld stond. Onmiddelijk werd de zaal gevuld met de dreunende klanken van zware, diepe mannenstemmen. Het harmonieus gezang steeg op uit het koor en bracht alle bakkers in de zaal in vervoering. Duizend bakkersmutsen gingen langzaam heen en weer, als een korenveld dat op een zomerse ochtend ontwaakt uit een diepe slaap. Rillingen liepen over mijn rug bij het zien van dit eerbetoon.
De bisschop gebaarde me te knielen. Ik zette mijn linkerknie op de koele marmeren vloer en boog mijn hoofd. Naast de bisschop stond een houten tafeltje met daarop een stuk deeg. Het deeg was gevormd in een slanke cirkel, en hing slapjes toen de bisschop het plechtig oppakte en boven mijn hoofd hield. Het bakkerskoor had het lied uitgezongen, en het was muisstil in de zaal toen de bisschop de aloude woorden uitsprak die bij deze plechtigheid hoorden.
“Bij de macht die in mij is gehuisvest kroon ik u, de Uitverkorende, tot Bannock IV, Koning der Broden.”
Ik voelde hoe het deeg naadloos rond mijn hoofd sloot. Het voelde zacht en vochtig. Voorzichtig stond ik weer overeind, en terwijl ik dat deed zwol het dreunende gezang van het bakkerskoor weer aan.
Voor mij stond nog altijd de bisschop. Hij keek me aan en overhandigde me de Koninklijke Deegroller. De deegroller zelf was functioneel en van glad hout, maar de handvatten waren van ivoor, waarin allerlei koninklijke figuren waren gesneden. Aan de uiteinden was de deegroller bekroond met goud dat schitterde in de stralen van de zon die door de opening in het gewelf schenen.
Met de deegroller in de hand draaide ik me naar de zaal. Het koor werd weer stil. Alle bakkers keken me aan. Ik was nu hun vorst. Ik was de Koning. Mijn hart ging tekeer. Na een moment van stilte hief ik mijn rechterarm met de deegroller op, en op dat moment vulde het oorverdovend gejuig van duizend bakkersstemmen de troonzaal. Een traan rolde over mijn wangen van pure gelukzaligheid, waarvan ik op dat moment niet wist dat het feestelijke spektakel weldra zou omslaan in een verschrikkelijk drama.
Door de opwinding en adrenaline straalden mijn lichaam en mijn hoofd zoveel warmte uit dat het gist in het deeg werd geactiveerd. Het begon eerst langzaam, maar geleidelijk sneller te rijzen. Ik voelde hoe de cirkel van deeg rond mijn hoofd strakker trok en over mijn voorhoofd begon te zakken. Ik probeerde het terug omhoog te tillen, maar het lukte niet. Het deeg was zwaar en plakkerig, en hoe harder ik er aan trok, hoe strakker het zich aan mijn hoofd vastklampte.
Ik werd bang en liet de deegroller vallen. Met beide handen probeerde ik wankelend de cirkel van deeg los te trekken, dat zich inmiddels gesloten had en mijn haar volledig bedekte. Het liet niet los. Ik struikelde over de deegroller en raakte met mijn hoofd de marmeren vloer, waarbij de val werd gebroken door het steeds dikker wordende deeg dat zich om mijn hoofd wikkelde. Het kroop over mijn ogen, neus en mond, en ik kon niet langer ademen. Ik hoorde de doffe voetstappen van mensen die me te hulp schoten. Blinde paniek beving mij terwijl ik lag te spartelen op de grond en mijn longen schokten naar adem.
Schreeuwend werd ik wakker. Ik keek om me heen en zag mijn eigen vertrouwde huiskamer. Daar zat ik nog steeds, in mijn fauteuil. Ik sloot mijn ogen en ademde gretig met diepe teugen. Mijn lichaam kwam langzaam weer tot rust.
Vanuit de keuken klonk een zacht *pling*. Het brood was klaar. Ik kwam uit de stoel en stapte naar de keuken. Met mijn veel te grote ovenwanten haalde ik de vorm uit de oven, hield het ondersteboven, en zag hoe het brood er gemakkelijk uit viel en met een plof op het aanrecht landde. Ik klopte op de onderkant en het klonk hol, het teken dat het brood goed was. Vanuit de kamer klonk er een plof.
Ik draaide me om en onmiddelijk zag ik het. Mijn adem stokte. In de woonkamer, op de grond, naast mijn fauteuil, lag de Koninklijke Deegroller…